Nederlandse Universiteiten hebben zorgen geuit dat de controle over de data van de docent én student verschuift naar tech-bedrijven. Ook bestaan er zorgen over de inzet van de Google G-suite for education binnen het onderwijs. Het antwoord op deze kwestie schuilt volgens experts en politieke partijen in het gebruik van ‘open source-software’. Dit is echter geen oplossing voor de zorgen van het onderwijsveld.

In 2019 constateerden de rectoren magnifici van Nederlandse universiteiten dat de afhankelijkheid van (Amerikaanse) techbedrijven toeneemt in het onderwijs. Zij constateren dat de meeste softwareleveranciers van applicaties die Nederlandse onderwijsinstellingen gebruiken, met name de hogescholen en universiteiten, niet in Nederland of zelfs Europa zijn gevestigd.

Verder constateren de rectoren magnifici dat de controle over de data verschuift van de docent én student naar de techbedrijven én dat deze de nadruk leggen op gepersonaliseerde diensten, wat de kern vormt van hun verdienmodel. De rectoren roepen op tot actie in gemeenschappelijk verband.

Verschillende politieke partijen hebben de oproep gehoord en besteden in hun verkiezingsprogramma aandacht aan de kwestie. Het antwoord van de politiek is veelal ‘open source’. Zo schrijft D66: “We vragen onderwijsinstellingen om privacy goed te verankeren door bijvoorbeeld met opensource-software te werken.” De PvdA stelt: “Open source wordt standaard bij de inkoop van soft- en hardware om de technologische onafhankelijkheid van het onderwijs te waarborgen.”. Maar het vasthouden aan open source leidt niet tot technologisch onafhankelijk onderwijs.

Open source
Open source definiëren we als: “Open source of open bron beschrijft de praktijk die in productie en ontwikkeling vrije toegang geeft tot de bronmaterialen (de source) van het eindproduct. De samenwerkende ontwikkelaars kunnen daarbij behoorlijk zelfstandig werken, zonder te veel centrale sturing. Hierbij komen eindproducten en de daaraan ten grondslag liggende basismaterialen (bijvoorbeeld ontwerpen, beschrijvende documentatie en dergelijke), vrij ter beschikking voor het publiek”.
Bron:
Wikipedia.

Al eerder constateerde Verdonck Klooster en Associates (VKA) in een onderzoek (samen met Berenschot en RAND Corporation) dat open source niet zaligmakend is. Open source is in voorkomende gevallen weliswaar goedkoper en (een deel van) de broncode is inzichtelijk, maar daar staat tegenover dat de koppelbaarheid van open source oplossingen beperkt is. Voor de implementatie en onderhoud van open source systemen is vaak (zeer) specialistische kennis nodig van een community, die zich (soms) erg moeilijk laat sturen en waarbij continuïteit een aandachtspunt is.

Open source oplossingen zijn ook niet synoniem voor een applicatie waarin eigenaarschap van data bij de juiste partij ligt. Er kan wel degelijk een organisatie achter zitten die geld verdient aan de aangeboden oplossing, en dus ook aan de data. Opletten blijft dus geboden!

Rondom open source hangt de notie dat het gratis óf goedkoper is dan closed-source software. Met deze gedachtegang hangt de perceptie samen dat met de inzet van open source software meer geld naar het onderwijs kan vloeien. Maar voor de implementatie van open source is vaak dure, specialistische kennis nodig, die zich vaak boven de totale implementatiekosten van commerciële software prijst.

Tegelijkertijd zien we juist in de onderwijsmarkt dat de grote techbedrijven in een concurrentiestrijd zijn verwikkeld rondom de student. Studenten zijn de potentiële gebruikers en ambassadeurs van de toekomst. Ze raken in het onderwijstraject gewend aan bepaalde software, zullen deze meenemen naar hun werkzame leven en mogelijk zelfs aanbevelen bij organisaties waar zij gaan werken. Deze mechanismen zorgen ervoor dat grote tech-bedrijven licenties voor productiviteitssoftware in het onderwijs (zoals Microsoft 365 of de Google G-suite for Education) tegen zeer lage tarieven aanbieden. Zo laag zelfs dat het geen afspiegeling meer is van de prijzen die commerciële partijen betalen.

“HET GAAT ER NIET OM DAT ONDERWIJSINSTELLINGEN TE AFHANKELIJK ZIJN VAN TECHNOLOGIEBEDRIJVEN”

Afgezien van concurrentieoverwegingen kun je deze lage prijzen uitleggen in het licht van de mogelijke maatschappelijke investeringen die techbedrijven doen. Door de licenties dusdanig goedkoop aan te bieden vloeit er meer geld naar het onderwijs zelf en valt het financiële argument voor open source in het onderwijs weg.

Is betalen voor software dan zo slecht?

Ondanks dat de kosten voor het gebruik van commerciële software laag liggen, geldt het principe wie betaalt bepaalt. Als organisaties eenmaal betalen voor software zijn er vaak andere gebruiksvoorwaarden van toepassing dan wanneer organisaties ‘gratis’ software gebruiken. Als je betaalt, ben je beter in staat data- en privacy-eigenaarschap te realiseren voor de leerling/student en docent.

Bovenstaande heeft ook impact voor het primair- en voortgezet onderwijs. Dit zijn over het algemeen kleinere organisaties, die vaak weinig of geen kennis en ervaring met I(C)T en wet- en regelgeving zoals de AVG hebben, weinig tot geen inkoop-slagkracht kunnen realiseren en veelal (zeer) beperkte budgetten hebben. Juist in deze organisaties zien we gratis varianten van software, en daarmee de privacy- en data-onvriendelijke gebruiksvoorwaarden. 

Koepelorganisaties (zoals Kennisnet of SIVON) proberen hierin ondersteuning te bieden door advies te geven of proberen leveranciers mee te nemen door convenanten te realiseren, zoals het privacy-convenant onderwijs.

Grote techbedrijven zoals Google en Microsoft doen echter niet mee aan dergelijke convenanten. We moeten dus kijken naar een andere manier om deze techbedrijven mee te nemen, te verleiden of te verplichten om het data-eigenaarschap bij de docent en de leerling/student te laten. Daarin zou het feit dat er voor de software wordt betaald een grote rol moeten spelen.

Wanneer een organisatie betaalt voor software, bouwt zij een afhankelijkheid met de leverancier op. Als je dit doortrekt naar het onderwijs, zou je kunnen stellen dat het onderwijs niet meer technologisch onafhankelijk is. Zover zou ik niet willen gaan.

Studenten, leerlingen en docenten kunnen altijd eigen software gebruiken, daarmee zorg je ervoor dat je technologisch onafhankelijk bent. Door voor algemene en open standaarden te kiezen voor bijvoorbeeld het inleveren van bestanden (denk aan PDF-A) is de student vrij om te kiezen in welke applicatie het bestand wordt aangemaakt. 

Door wel een contract aan te gaan met de leverancier bied je iedereen binnen je organisatie de mogelijkheid gebruik te maken van breed geaccepteerde software waar veel kennis en ervaring mee is.

Door te betalen heb je bij de leverancier nog enige macht om afspraken te maken over de dataopslag en eigenaarschap van de data. Die macht zou zich kunnen vergroten door aan te sluiten bij een samenwerkingsverband.

Is technologisch onafhankelijk onderwijs wel mogelijk en noodzakelijk?

Docenten worden opgeleid en getraind in het gebruik van de applicaties die binnen hun onderwijsinstelling worden ingezet. Daarbij leert de ervaring dat zij zelf vaak een beperkte kennis van ICT hebben. Hierdoor hebben zij zelf onvoldoende inzicht in de keuzes die ze maken, laat staan dat ze hun studenten over privacy-instellingen en het omgaan met data kunnen adviseren.

“VRIJWEL ELKE BEROEPSGROEP MAAKT GEBRUIK VAN TECHNOLOGIE EN DIENSTEN VAN VERSCHILLENDE LEVERANCIERS. MOET DAT ALLEMAAL TECHNOLOGIE-AFHANKELIJK?”

Het ICT-onderwijs staat nog in de kinderschoenen. Er is in de les vaak onvoldoende aandacht voor het maken van technologische keuzes en wat erbij komt kijken. Ook het hebben van een kritische blik op het gebruik van ICT en thema’s als privacy zijn nog te vaak onderbelicht. Bij het ICT-onderwijs moeten deze juist onderwerpen centraal staan. Daarmee moeten studenten meer kijk op het gebruik van ICT-middelen krijgen waarmee we onafhankelijkheid kunnen borgen. Ik adviseer om dit aspect, los van het type systeem, beter te verankeren in alle leraren- en docentenopleidingen.

Is technologisch onafhankelijk onderwijs in de huidige tijd nog wel mogelijk en noodzakelijk? Vrijwel elke beroepsgroep maakt gebruik van technologie en maakt gebruik van de diensten van verschillende leveranciers die een specifieke oplossing hebben voor het primaire proces. Van boekhoudsystemen waar administrateurs en controllers mee werken, tot labsystemen voor laboranten en van ECD’s voor zorginstellingen tot specifieke applicaties om de boordcomputers van auto’s uit te lezen voor automonteurs. Moet dit allemaal technologie-onafhankelijk?

Het belangrijkste is dat we de huidige lichting studenten leren werken met, en ervaring laten opdoen, met deze systemen. Dit moeten we zodanig vormgeven dat zij al bij de start van hun eerste baan ervaring hebben opgedaan met de gebruikte software. Daarbij is het van groot belang dat onderwijsinstellingen aansluiten op de organisaties in hun omgeving, zodat zij keuzes kunnen maken bij de toekomstige praktijk waarin hun studenten terecht komen.

We erkennen dat de macht van sommige softwareleveranciers groot is. Partijen als Microsoft en Google krijgen in het (primair) onderwijs steeds meer voet aan de grond. Maar is dat erg? Juist binnen het onderwijs maken we gebruik van de oplossingen van deze partijen. Zeker in de huidige corona-tijd waarin veel organisaties gebruik maken van Teams van Microsoft, Hangouts van Google en andere tools van grote techbedrijven. Door leerlingen en studenten juist vanuit het onderwijs wegwijs te maken in deze tools kunnen zij makkelijk(er) de overstap naar het werkzame leven maken. Daarbij is het belangrijk dat de docent weet hoe de tool werkt en dit kan uitleggen, en nou net dat laatste verdient nog aandacht.

Het probleem is in mijn ogen anders dan voorgesteld. Het gaat er niet om dat onderwijsinstellingen te afhankelijk zijn van technologiebedrijven, immers óók in het leven na de studie gebruiken studenten deze oplossingen. Het probleem is dat techbedrijven op de achtergrond steeds meer data verzamelen. Hierbij hebben we enerzijds geen zicht op welke data dat zijn, anderzijds hebben gebruikers onvoldoende kennis van de techniek en instellingen om de juiste keuzes ten aanzien van hun privacy te kunnen maken.

Om dit probleem op te lossen moet het onderwijsveld afspraken maken met grote én kleine leveranciers. Hierbij is het belangrijk dat studenten, docenten en onderwijsinstellingen de data kunnen beheren in zogenaamde Learning Record Stores (LRS’en) en de mogelijkheid hebben data uit te wisselen indien een student wisselt van onderwijsinstelling óf bijvoorbeeld gebruik maakt van bijscholing bij andere organisaties. Hierbij spelen open standaarden (zoals de internationale xAPI) een grote rol. Door gebruik te maken van deze standaard kunnen onderwijsorganisaties dashboards voor zichzelf, studenten en docenten realiseren.

“HET PROBLEEM IS DAT TECHBEDRIJVEN OP DE ACHTERGROND STEEDS MEER DATA VERZAMELEN”

Oók het eigenaarschap moet op de juiste manier worden belegd. Een student moet inzicht kunnen hebben in de verzamelde data, een onderwijsinstelling moet deze kunnen uitwisselen en eventueel zelfs kunnen verwijderen als dit wettelijk moet. Als we dan erkennen dat het in de afspraken ligt, hoe gaan we die dan vormgeven? Hoe krijg je het meeste voor elkaar?

(Inter)nationale samenwerking is de sleutel

Terug naar de rectoren magnifici. Zij roepen op om meer samen te werken, bijvoorbeeld via organisaties zoals SURF, en breder nog, in Europees verband. Via deze samenwerkings-verbanden willen zij nieuwe applicaties en toepassingen ontwikkelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om Elektronische Leer Omgevingen (ELO), toetssystemen etcetera. In de basis is dit een goed en interessant idee, dat politieke partijen direct zouden kunnen overnemen.

Tegelijkertijd moeten de Nederlandse overheid en Europese Unie actief op dergelijke initiatieven gaan sturen. Waarbij de hoop is dat een dergelijk initiatief net zo succesvol wordt als andere voorbeelden van dergelijke Europese samenwerkingen, zoals Airbus, GAIA-X (Europees initiatief op het gebied van cloud- en datadiensten), GALILEO (het Europese alternatief voor GPS) óf de samenwerking in het Europese cybersecurity agentschap.

Een onderwijsinitiatief kan voor het onderwijs en de softwaresector in Europa veel waarde opleveren. Maar dan moeten de Nederlandse en de Europese overheid wel het voortouw nemen en zullen onderwijsorganisaties, bestaande samenwerkingen en marktpartijen over hun schaduw heen moeten stappen om samen te werken.

Bij het afdwingen van goede gebruikersovereenkomsten, waarin data en privacy goed zijn belegd en het eigenaarschap bij de leerling/student ligt, is samenwerking op nationaal en internationaal niveau van groot belang. Juist de licentiekosten vertegenwoordigen een flinke pot geld die jaarlijks vanuit alle onderwijsorganisaties naar de verschillende leveranciers stromen.

Door als onderwijs gezamenlijk een vuist te maken is er meer slagkracht mogelijk. Hierbij zouden de universiteiten en Hogescholen niet alleen naar zichzelf moeten kijken als grootste onderwijsorganisaties van Nederland. Zij zouden, al dan niet vanuit het samenwerkingsverband SURF, voor de gehele onderwijsbranche (PO, VO speciaal, MBO, HBO én universiteiten) de voorwaarden zodanig moeten definiëren dat privacy- en data-eigenaarschap voor alle leerlingen en studenten geborgd is. Juist door het opkomen van de grote onderwijsinstellingen voor de kleinere, borgen we de het privacy- en data-eigenaarschap voor alle leerlingen.

Conclusie: van technologisch onafhankelijk onderwijs naar data-inzicht en -eigenaarschap

Bovenstaande beschouwend, streven politieke partijen en bestuursgremia van onderwijsinstellingen niet de juiste oplossingen voor het daadwerkelijke probleem na. Open source software streeft de technologische onafhankelijkheid onvoldoende na, want open source is óók een technologiekeuze. We moeten we oude en achterhaalde noties van open source achter ons laten. Het is niet de oplossing voor data-onafhankelijkheid, noch dé oplossing voor technologisch onafhankelijk onderwijs.

We moeten juist naar een situatie waarin we als gebruiker (docent of student) én als aanbieder van de opleiding kunnen afdwingen wat er met data gebeurt, wie de eigenaar is en dat de gebruiker dit kan beheren. Dat kan alleen in samenwerkingsverbanden, om de macht van de gebruikers zo groot mogelijk te maken.

Daarnaast moet het onderwijsveld in navolging op, of juist gebruikmakend van de contractbesprekingen van de overheid met de grote techbedrijven, afspraken afdwingen over het verzamelen en delen van data. Door in grotere verbanden dan individuele instellingen af te dwingen dat de data door de onderwijssector wordt beheerd, komt het eigenaarschap op de juiste plek te liggen en kunnen instellingen en techbedrijven meerwaarde leveren aan studenten.

Het door de rectoren voorgestelde initiatief om te komen tot verregaande (Europese) samenwerking zet de deur open om tot een oplossing voor het beschreven probleem te komen en biedt daarnaast perspectieven voor de ontwikkeling van ondersteunende oplossingen voor het onderwijs zelf. Daarbij moeten we ons bij de samenwerking richten op voor de Europese markt interessante software, bijvoorbeeld: leermanagement-systemen en toetssystemen. Productiviteitssoftware kunnen we in mijn ogen links laten liggen omdat dit al ver doorontwikkeld is en de huidige leveranciers (Google en Microsoft) een te groot marktaandeel hebben om hier het tij te kunnen keren.

G Suite: gratis versus betaald
Bij de gratis variant van Gmail is de gebruiker geen eigenaar van de data en kan Google afbeeldingen gebruiken voor marketingdoeleinden. Bij de betaalde variant is dit niet het geval en is in de gebruiksvoorwaarden verankerd dat het eigenaarschap en intellectueel eigendom bij de gebruikersorganisatie ligt. In dit opzicht kan een onderwijsorganisatie beter voor de betaalde variant van de software kiezen, om zodoende betere gebruiksvoorwaarden af te dwingen.

Hierbij past een kanttekening: Strategisch Leveranciersmanagement Rijk heeft juist bij Google aangetoond dat niet op alle (privacy) datastromen zicht is. Daarom hebben zij in het verleden afgeraden gebruik te maken van zowel de gratis als de betaalde variant van de Google G Suite. Zie ook: Rijksoverheid met Google in de clinch over databescherming G Suite.

Joost van Lier is senior-adviseur bij Verdonck, Klooster & Associates (VKA). Hier houdt hij zich bezig met vraagstukken op het snijvlak van maatschappij en business in relatie tot digitalisering en informatietechnologie. Binnen VKA richt Joost zich op vraagstukken als digitale transformatie, digitale business strategie en de toepassingen van nieuwe technologie zoals artificial intelligence en IoT.

REAGEREN

Plaats je reactie
Je naam