Digitalisering, disruptie, techonomy: in de Nederlandse bestuurskamers zijn deze termen de laatste tijd steeds vaker te horen. Ook de regering heeft op zijn minst een van die begrippen wat vaker op de agenda staan. Al wil het nog niet echt vlotten met de vertaling naar concreet overheidsbeleid voor de langere termijn. Tijdens een recente discussiebijeenkomst bogen de nodige vooraanstaande IT-partijen zich over ‘DDT’. En daarbij namen zij ook zichzelf de maat, want de IT-industrie heeft de nodige verantwoordelijkheid te dragen als het gaat om de digitalisering van de BV Nederland.

Digitalisering heeft voor burgers, bedrijven en overheden vergaande gevolgen. De impact is voelbaar in het dagelijkse leven, de bedrijfsvoering en het beleid. Digitalisering is ook de motor achter de disruptie die zowel door gevestigde organisaties als nieuwkomers wordt ingezet. ‘Oude’ bedrijven komen met nieuwe en andere diensten en producten. Nieuwkomers vallen op hun beurt de gevestigde orde aan met hun disruptieve innovaties die weer zorgen voor andere (omni)channels en/of andere ketensamenstellingen. Dit samenspel slingert de verandering van de klassieke economie naar een tech-economie, ofwel een techonomy aan.

Informatie is het nieuwe goud

De voortschrijdende digitalisering levert daarnaast het besef op dat data aan importantie wint. ‘Informatie is het nieuwe goud’, zo wordt inmiddels vaak gezegd. Wie bijvoorbeeld weet wat de klant (en de prospect) beweegt, kan daarop inspelen met bijvoorbeeld de juiste dienst- en productontwikkeling. Organisaties die data als het nieuwe goud omarmen, zouden daarmee ook de (financiële) koplopers moeten zijn. Maar klopt dat wel?

Boardroom as a Service (BaaS) heeft in een van de vorige edities gegraven in de cijfers zoals die door de bekende Amerikaanse kredietbeoordelaar Standard & Poor’s (S&P) door de jaren heen zijn gepubliceerd. Bedoeling was om eens boven water te krijgen hoe het zit met de waarde van ‘data-driven bedrijven’. De resultaten van ons speurwerk waren op zijn minst verhelderend. En wellicht zelfs alarmerend voor bestuurders die hun eigen bedrijf of concurrenten niet meer terugzien in onze samengestelde S&P-top 10 als het gaat om marktkapitalisatie.

Waar de top 5 in 2006 slechts nog met één data-driven bedrijf was bevolkt (Microsoft, 294 miljard dollar), ziet die situatie er dit jaar aanmerkelijk anders uit. De gehele top 5 bestaat nu uit concerns die het predicaat ‘data-driven’ mogen krijgen. Met Apple als absolute koploper (741 miljard dollar), gevolgd door Googles moederbedrijf Alphabet (585 miljard dollar) en Microsoft als een goede derde (505 miljard dollar). De vierde plek wordt ingenomen door Amazon (432 miljard dollar), terwijl Facebook (408 miljard dollar) op nummer vijf staat.

“Organisaties die nog geen datastrategie hebben ontwikkeld, zijn ten dode opgeschreven”

Hoe zit het dan met de ‘traditionele’ concerns? Niet al te best; tenminste, als het gaat om hun marktkapitalisatie. Neem een Amerikaanse gigant als General Electric. Het concern stond in het vierde kwartaal van 2006 nog op nummer 1 met een marktkapitalisatie van 447 miljard dollar. Elf jaar later staat GE niet eens meer in de top 10. Eén lichtpuntje: General Electric is inmiddels druk bezig om zich om te vormen naar een data-driven bedrijf waar gegevens uit allerlei in- en externe bronnen leidend zijn voor de strategie- en productontwikkeling.

Vragen, vragen en nog eens vragen

Goed. Het financiële belang van digitalisering en data lijkt duidelijk aantoonbaar als wij de S&P-lijstjes mogen geloven. Maar hoe kom je daar? Hoe moeten organisaties te werk gaan om een prominente plaats in de techonomy te bereiken? Hoe zorg je als RvB ervoor dat er niet wordt verzand in heilloze, geldverslindende proefprojecten rond digitale disruptie?

Is het mogelijk om innovatie te stimuleren binnen een grote organisatie zonder te sturend op te treden? En niet onbelangrijk: wat voor wegen hebben data-driven bedrijven bewandeld naar het begeerde succes? Die vragen stonden centraal tijdens een discussiebijeenkomst georganiseerd door ICT Media, de uitgever van onder andere BaaS, CDO Magazine en CIO Magazine.

Plaats van handeling: de Boardroom in de Villa van ICT Media. De deelnemers waren op zijn minst ervaringsdeskundigen te noemen: allen zijn immers werkzaam (veelal op directieniveau) bij IT-marktpartijen en executive search-bureaus. Zij ademen op dagelijkse basis digitale disruptie, zullen we maar zeggen.

De start van de discussie kwam direct op gang. Op de eerste stelling (‘Organisaties die nog geen datastrategie hebben ontwikkeld, zijn ten dode opgeschreven’) werd uiteenlopend gereageerd. Sommigen schaarden zich achter de stelling, ook verwijzend naar de S&P-lijsten. “Nee, het accent ligt verkeerd”, vonden anderen. Zij meenden dat niet zozeer het ontbreken van een datastrategie organisaties opbreekt, maar dat eerder de executie een mogelijke spelbreker is.

“Je kunt de meest vooruitstrevende en dichtgetimmerde datastrategie hebben, maar als de diverse lagen van de organisatie zich niet bewust zijn van het belang van data, dan gaat het alsnog mis.” Dat gegevens tegenwoordig (of eigenlijk al een tijdje) een belangrijke asset vormen, daar waren alle participerende partijen het wel hartgrondig mee eens.

Risicomijdende Nederlanders?

“Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.” Als er één spreekwoord van toepassing is op Nederland, dan is het deze wel. Het hoofd boven het maaiveld uitsteken, is iets wat in de Nederlandse cultuur niet direct wordt gestimuleerd. Geldt dat ook voor bijvoorbeeld investeringen in ‘cutting edge’-technologie, vroegen wij de discussiedeelnemers. Zien zij dat terug bij hun klantenkring? Ook hier was er sprake van enige verdeeldheid onder de participanten.

“Je kunt de meest vooruitstrevende en dichtgetimmerde datastrategie hebben, maar als de diverse lagen van de organisatie zich niet bewust zijn van het belang van data, gaat het alsnog mis.”

Ja, doldrieste technologische avonturen zijn niet in de mode bij Nederlandse RvB- en RvC-leden. En tegelijkertijd is er hier een gezonde voedingsbodem voor hightechstartups en -scale-ups – om maar te zwijgen over technologische grootmachten van eigen bodem zoals ASML en chipmaker NXP. Nederlanders gebruiken hun gezonde verstand en hebben tevens een goede neus voor buitenkansjes. Ook op technologisch gebied. Of zoals een van de discussiedeelnemers het verwoordde: “Nederland is niet voor niets voor veel technologiebedrijven een uitstekende proefmarkt, mede door de uitstekende digitale infrastructuur en het opleidingsniveau van de bevolking.”

Helder communiceren

We kaatsten de bal even terug naar de aanwezige marktpartijen. Technologie is anno 2018 op zo’n beetje alle vlakken van cruciaal belang. Of het nu is voor de burger, het bedrijfsleven of de overheid. Tegelijkertijd zien we dat de voortschrijdende digitalisering ook op maatschappelijke (en politieke) weerstand stuit. Bijvoorbeeld als het gaat om de werkgelegenheid die in gedrang zou komen door ontwikkelingen als verregaande robotisering van allerhande werkzaamheden.

De robots (zowel hard- als softwarevarianten) zijn tegenwoordig niet meer beperkt tot het uitvoeren van productieklussen in een fabriek. Chatrobots verdringen de rol van de menselijke helpdesk- en klantenservicemedewerker, om maar een voorbeeld te geven. Over het algemeen werd deze constatering onderschreven door de discussiedeelnemers. En ook hier kwam de nuance ter tafel. Want technologie laat niet alleen banen verdwijnen: het schept ook nieuwe werkgelegenheid. Al is die wel van een andere aard. In plaats van low-techbanen komen er meer en meer hightechvacatures. En dat schept kansen.

Dus nee, het is niet allemaal kommer en kwel. Burgers en politici zouden ook de andere kant van de medaille moeten kunnen zien. En daar stak het gros van de aanwezige IT-partijen de hand in eigen boezem: om ook de positieve kanten van digitalisering op de arbeidsmarkt te laten zien, moeten IT-bedrijven meer en helderder communiceren met de verschillende belanghebbenden.

Digitaal Deltaplan?

Ondanks het feit dat digitalisering op veel vlakken een disruptieve werking heeft, lijkt het alsof de Nederlandse regering daar weinig oog voor heeft. Althans, er wordt in politiek Den Haag wel op gelet, maar dat is niet terug te zien in een consistent en toekomstgericht beleid waarin IT een centrale rol speelt.

Dat het anders kan, bewijzen landen als Letland, China en zelfs het stadsstaatje Singapore. Daar is sprake van overheidsbeleid dat IT een belangrijke rol toebedeelt. Zo’n beetje alle deelnemers aan de discussie kunnen zich wel in de vaststelling vinden. “Het is ook eigenlijk van de zotte dat IT door de overheid destijds niet tot een aparte topsector is benoemd. Het argument daarvoor was dat IT in alle sectoren een rol speelde, maar daarmee werd voorbijgegaan aan het belang van de sector, zowel economisch als anderszins”, verzuchtte een deelnemer.

Desondanks kwamen de handen niet op elkaar voor een Digitaal Deltaplan of een minister van IT. Dat ging de participanten een tikkeltje te ver. Ook omdat het water op dat vlak nog niet aan de figuurlijke lippen staat. Meer kennis over (en waardering van) informatietechnologie zou echter niet weg zijn bij de overheid. Daar waren de aanwezigen het wel roerend over eens. En dat mag van hen ook worden vertaald in een concreet ‘tech-minded’ overheidsbeleid.

Onderwijs

Een gebied met concrete nood aan ‘tech-minded’ beleid van de Nederlandse overheid, is het onderwijs. Het instemmend geknik was in de gehele Boardroom te zien. Geen twijfel mogelijk: hier is nog een wereld te winnen. Om te beginnen bij de docenten en hun IT-kennisniveau. Met name in het lager onderwijs schort het daaraan, aldus de aanwezigen. Begin bij de lerarenopleidingen met IT als aparte discipline op te nemen, zo suggereerde een van hen. Het hogere en wetenschappelijke onderwijs heeft wat dat betreft de zaken beter op orde, vond men.

“Het is van de zotte dat IT door de overheid destijds niet tot een aparte topsector is benoemd”

Het onderwijsvraagstuk hield de gemoederen goed bezig. Zo werd er door diverse discussiedeelnemers gewezen naar de veelal achterhaalde en spaarzaam aanwezige IT-middelen op (lagere) scholen. Dat is veelal een kwestie van budgettaire afwegingen bij de betreffende directies (en indirect ook bij het betreffende ministerie).

Hierbij kan een publiek-private samenwerking uitkomst bieden, aldus enkele van de participanten. Met andere woorden: de IT-sector zou de portemonnee moeten trekken om scholen te voorzien van de onontbeerlijke IT-middelen. Dat gebeurt al her en der, maar het mag omvangrijker én beter georganiseerd.

IT is niet meer ‘nerdy’

Het curriculum kwam eveneens ter tafel. “Er wordt nog steeds opgeleid voor beroepen die nu al of straks niet meer bestaan”, was de consensus. Een kans voor publiek-private samenwerking? Ja, werd er gezegd. Al moet dat wel met mate: het bedrijfsleven moet ook weer geen te grote stempel op de inhoudelijke kant van het onderwijs gaan drukken. En dan de interesse van kinderen voor technologische beroepen. Daar mag ook nog wel wat aan gebeuren. Hier is zeker een rol weggelegd voor de IT-sector. Een rol die door diverse aanwezigen al wordt vervuld.

Sommigen zijn op persoonlijk initiatief periodiek voor de klas te vinden om leerlingen te enthousiasmeren voor een arbeidstoekomst in de informatietechnologie. Anderen zijn werkzaam bij een IT-partij die de educatieve rol als integraal onderdeel van het bedrijfsbeleid heeft. Maar dat daar nog een tandje bij kan worden gezet, daar was iedereen eensgezind over. Want IT is geen ‘nerdy’ werkterrein meer. De oprukkende en allesomvattende digitalisering zorgt daar wel voor.


De deelnemers

Aan de discussiebijeenkomst namen de volgende organisaties deel:

  • Accenture (IT-dienstverlening)
  • Amrop (executive search)
  • Cognizant (IT-dienstverlening)
  • DCX Technology (IT-dienstverlening)
  • ilionx (IT-dienstverlening)
  • Info Support (IT-dienstverlening)
  • FireEye (securityspecialist)
  • Fresh Toast (online-advertisingspecialist)
  • Fujitsu (IT-dienstverlening)
  • Levi9 (IT-dienstverlening)
  • Linqhu (executive search)
  • OpenText (enterprise-informationmanagement-softwareproducent)
  • Pure Storage (dataopslagspecialist)
  • Salesforce (cloud-customer-relationshipmanagement)
  • Unit4 (bedrijfssoftwareproducent)

Stellingen

Zoals het bij een goede discussie betaamt, mochten de deelnemers hun tanden stuk bijten op een aantal stellingen die door de BaaS-redactie waren voorbereid.

  1. Organisaties die nog geen datastrategie hebben ontwikkeld, zijn ten dode opgeschreven.
  2. Organisaties in Nederland lopen achter als het gaat om de toepassing van ‘emerging’ technologie om een ‘unfair competitive advantage’ te bereiken. Dat heeft alles te maken met het risicomijdend gedrag dat in de Nederlandse cultuur lijkt te zijn ingebakken. Is dit een terechte vaststelling?
  3. De invloed van technologie op de Nederlandse maatschappij neemt zichtbaar toe. IT laat banen verdwijnen en zorgt tegelijkertijd voor nieuwe werkgelegenheid. Hoe zien de IT-marktpartijen het zelf en hebben zij hierin ook een (maatschappelijke) verantwoordelijkheid?
  4. De Nederlandse overheid heeft geen allesomvattende visie op de manier waarop technologie ingrijpt in de samenleving en de economie. Dat heeft weer tot gevolg dat er geen langetermijnbeleid is ontwikkeld waarin technologie een structurele rol krijgt toebedeeld. In andere landen, zoals China, Singapore en Letland, heeft de overheid die stap wel gemaakt. Daar is sprake van een sterke overheidsimpuls om IT als middel en als sector flink te laten groeien. Wordt het tijd voor een Nederlands Digitaal Deltaplan?
  5. Het onderwijs in Nederland leidt nog steeds mensen op met competenties voor functies die op de middellange (en soms zelfs op korte) termijn niet meer zullen bestaan. Ligt hier een taak voor de overheid, het bedrijfsleven of zou een publiek-private samenwerking op zijn plaats zijn?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Laat alsjeblieft een reactie achter!
Laat hier je naam achter