Laten we het hebben over de zin van het leven. Jawel, en dat in een column van zeshonderd woorden. Gewoon, voor eens en voor altijd, een eind aan de discussie. Onwaarschijnlijk dat dit gaat lukken. Maar toch is het een relevante vraag in deze tijd van kunstmatige intelligentie. Systemen tonen een bepaalde mate van autonomie, leren op basis van interactie met de omgeving, en hebben een beperkte vorm van ‘agency’, de capaciteit om betekenisvol te handelen in een bepaalde context. Met een beetje fantasie creëren we met kunstmatige intelligentie een prille vorm van leven.

Hoe willen we dat die systemen zich gaan gedragen? Hoe definiëren we wat betekenisvol handelen is? Onze discussie over de zin van het leven heeft zich tot nu toe toegespitst op het erachter komen wat dat is voor onszelf, voor ons mensen. Maar nu is een andere invalshoek ook interessant: welke zin geven we aan het kunstmatige leven dat we creëren?

Met andere woorden, de zin van het leven als een set van ontwerpprincipes. Hoe moet een kunstmatige intelligentie functioneren? (Hoe kan het de beste vorm van zichzelf zijn?) En hoe moet het met de rest van wereld omgaan? (Hoe definiëren we wat een positieve bijdrage is?)

Het probleem is dat vierduizend jaar discussie ons weinig geholpen heeft met het vinden van een antwoord. Dat zal met de vooruitgang van kunstmatige intelligentie niet anders zijn. Vanuit de filosofie dringen een aantal perspectieven zich op.

Het perspectief van de maker stelt dat het doel van kunstmatige intelligentie is het op een zo menselijk mogelijke wijze functioneren. Denk aan het Google Duplex-experiment, waar een algoritme in een telefoongesprek de menselijke stem zo natuurlijk mogelijk nabootste. Antropomorphisme, de neiging om menselijke eigenschappen aan dingen of dieren toe te kennen, is hierbij juist een doel geworden.

Het humanistische perspectief leert dat het doel van het leven jezelf ontwikkelen is. Vertaald naar kunstmatige intelligentie betekent dat, dat het leren nooit ophoudt. Kunstmatige intelligentie moet zich vooral richten op het kunnen functioneren in een zo breed mogelijke omgeving. Denk aan autonome auto’s in elke verkeerssituatie, maar ook met andere functies zoals delen met anderen, en het zijn van een schakel in verkeersveiligheid, filevermijding, enzovoort. Het uiteindelijke doel is AGI (artificial general intelligence).

Rentmeesterschap is een ander perspectief. Het doel van het leven is zorgen voor onze omgeving. Kunstmatige intelligentie moet zich dan vooral richten op grotere thema’s, zoals milieu of het ondersteunen van andere maatschappelijke doelen. Of, als variatie op het perspectief van de maker, het dienen van de mensheid in plaats van de individuele mens.

De zin van het leven vanuit het biologische perspectief is voortplanting en het in stand houden van de soort. Er zijn al voorbeelden van kunstmatige intelligentie die kunstmatige intelligentie bouwen. En sommige leermodellen draaien om evolutie en natuurlijke selectie. Kijken welke algoritmes het in de praktijk het beste doen, en die vervolgens propageren.

Tot slot is er het praktische perspectief. Hierbij is de zin van het leven eigenlijk niet relevant. Technologie heeft gewoon een bepaalde taak uit te voeren en als kunstmatige intelligentie daarbij kan helpen, dan is dat alleen maar mooi. Maar verder ook niets.

Waar geloof je in? En zijn dat dan ook de uitgangspunten voor je ontwerpprincipes?

Nog één idee. Verandert de zin van het leven voor de mens als we zelf een soort van leven, kunstmatig leven, ontwikkelen? Wat betekent dat voor het menszijn en onze eigen verantwoordelijkheden?

REAGEREN

Plaats je reactie
Je naam