Jeroen Tas (1959) werd in februari 2017 benoemd tot chief innovation & strategy officer bij Philips. Daarnaast is hij lid van het executive committee. Zijn persoonlijke missie is om met IT-verrijkte medische apparaten de gezondheid van miljarden mensen te verbeteren en hun kwaliteit van leven op een hoger niveau te krijgen. Niet alleen in het Westen maar ook in opkomende regio’s zoals Afrika en Azië. Hij is de uitgelezen IT-vakman om te spreken over de noodzaak van digitale architectuur.

Jeroen Tas heeft van 1978 tot 1983 computerwetenschappen en economie gestudeerd aan de Vrije Universiteit. Na zijn studie startte hij een internationale carrière als IT-ondernemer en leidinggevende in healthcare, informatietechnologie en financiële dienstverlening. Zo was hij als manager Transaction Technology bij Citibank verantwoordelijk voor de innovatie en ontwikkeling van internet en betalingssystemen.

Hij was reeds in 1995 bezig met het fenomeen internetbankieren. Als medeoprichter van Mphasis, een provider van IT- en BPO-diensten met een backoffice in India, was hij achtereenvolgens CEO en COO van dat bedrijf. Na de verkoop van Mphasis aan EDS – inmiddels een dochter van HP – werd hij door EDS gevraagd leiding te geven aan de wereldwijde IT-competentiecentra.

In de lente van 2011 stapte Tas over naar Philips. De eerste vier jaar gaf hij een nieuwe, frisse invulling aan de wereldwijde CIO-functie aldaar. De voornaamste uitdaging was om het ‘Accelerate!’-programma inhoud te geven. CEO Frans van Houten startte hiermee de transformatie naar een adaptieve, digitale, klantgerichte onderneming. Voor deze topprestatie werd Jeroen Tas in 2015 gekozen tot CIO of the Year.

In 2015 werd hij CEO van de businessgroup Healthcare Informatics, Solutions and Services. Een jaar later gaf hij leiding aan de businesscluster Connected Care & Health Informatics, om vervolgens tot chief innovation & strategy officer voor heel Philips te worden benoemd.

In die hoedanigheid is Jeroen Tas verantwoordelijk voor de strategie, R&D en het ontwerp van technische oplossingen voor de gezondheidszorg. Daarbij horen ook de bijbehorende IT-platformen en het ontdekken van opkomende businessmogelijkheden met moderne IT. Hij analyseert de hefboomwerking van opkomende technologieën als kunstmatige intelligentie, robotica en internet of things om de producten en diensten van Philips in het zorgdomein te versterken.

Global CIO

Vanuit de business gezien bestaat het moderne Philips uit een verzameling business-capabilities, aaneengeregen tot waardeketens die producten en diensten bij de klant brengen. De wijze waarop een businesscapability, met de bijbehorende businessrollen, gebruikmaakt van de benodigde applicaties, gegevens en kennis, regelde hij als chief information officer middels platformen die de juiste generieke software kunnen leveren – veelal uit clouds van gerenommeerde leveranciers, zoals Salesforce en Amazon. Applicaties kunnen out-of-the-box geconfigureerd worden en nieuwe applicaties kunnen worden gebouwd met gebruik van platform-api’s.

Voor de koppeling tussen de platformen en de verschillende applicaties daarin, introduceerde Tas als CIO een enkele integratielaag, waarin drie typen integraties worden onderscheiden: 1. procesorkestratie op basis van businessprocesmanagement (bpm); 2. een service-oriented architecture (soa) voor de koppeling van services via api’s; en 3. een enterprise service bus (esb) voor synchronisatie.

De cruciale processen in de waardeketens voor een productiebedrijf als Philips zijn: idea to market (I2M), market to order (M2O), order to cash (O2C) en het management van producten en diensten die actief worden beheerd via product-lifecyclemanagement (PLM). Tas legt uit: “Hoe manage je de levenscyclus van een product in termen van bill-of-material? Wat zijn de subcomponenten? Hoe ziet het samengestelde product eruit? Hoe wordt het product ingefaseerd, onderhouden en later weer uitgefaseerd? Dat zijn de belangrijke zaken bij PLM.”

Meebewegen

De grote architecturale uitdaging is volgens hem producten en services zodanig te configureren dat zij kunnen meebewegen met al dan niet voorziene wensen en behoeftes bij de klant. “Dus een meer dynamische omgeving voor snelle productiteraties.” Hij liet zijn architecten zoeken naar gemeenschappelijke noemers in de diverse productfamilies.

“Een belangrijk principe binnen productontwikkeling luidt: minimaliseer de hardware, maximaliseer de software. Omdat software sneller is aan te passen en eventueel via een abonnement up-to-date kan worden gehouden, bevordert dit bedrijfsprincipe in hoge mate de gewenste flexibiliteit in de producten.”

Een ander uitgangspunt binnen Philips is een hoge mate van standaardisatie om een veelheid aan verschijningsvormen te kunnen bieden. “Daarbij proberen we zoveel mogelijk standaardcomponenten van derde partijen te betrekken. Vervolgens voegen wij dan wel een betere, consistente gebruikerservaring toe waardoor het eindproduct onderscheidende waarde krijgt.”

Te dominant

Vanuit een architectuurperspectief constateerde Jeroen Tas dat de custom-applicaties bij Philips te dominant waren. Hij nam daarom de verregaande architectuurbeslissing om de data uit de applicaties te halen en op te bergen in een datafabriek. Oftewel een platform waarin alle data wordt genormaliseerd en ondergebracht en waar deze uitgehaald kan worden indien deze nodig is.

“Het is een unstructured store waarnaar data kan worden gestroomd, zonder dat je iets hoeft te weten van de fysieke opslagstructuur. Oftewel: geen lineaire afhankelijkheid tussen de centrale data en de applicaties.”

“Boven deze datafabriek kunnen information views worden gespecificeerd. Deze snijden data toe op de specifieke informatiebehoefte van processen en functionarissen. Het centraal stellen van data biedt een zeer hoge mate van flexibiliteit. Binnen die datafabriek zijn kerndomeinen gedefinieerd voor verschillende aandachtsgebieden, zoals consumer, customer, product & materials, supplier & people. Gegevens over klanten worden bijvoorbeeld overal gebruikt, bij sales, bij service en bij support. Om die consistent te houden zijn er datamodellen nodig en duidelijke datadefinities.”

Jeroen Tas maakt een splitsing tussen de datafabriek voor operationele gegevens, die nodig zijn voor het realtime functioneren en sturen van de business, en de big data die nodig is voor nieuwe inzichten en nieuwe diensten.
Resumerend: Tas gaat bij architectuur uit van een integrale beschouwing van de bedrijfsvoering. Het is belangrijk dat systemen dynamisch aangepast kunnen worden aan veranderingen in de business. Enerzijds heeft hij platformen en componenten, anderzijds past hij een slimme integratie toe.

“Je begint je architectuur met een eenvoudig verhaal over de essentie van het probleemgebied”

Er zijn doorgaande verticale relaties van businesstoepassingen via businesscapabilities naar cloud-infrastructuurdiensten. De horizontale integratie geschiedt op businessniveau door businesscapabilities aaneen te rijgen tot geïntegreerde waardeketens.

Innovatiechef

Globaal zijn er vier terreinen waarop je kunt innoveren: de business, de ondersteunende IT, de producten en de processen (procesgang). De interesse van Jeroen Tas als chief innovation & strategy officer ligt primair op productniveau. Dat is ook het meest fascinerende en voor de eindgebruiker het meest in het oog springende terrein.

Architectuur op productniveau is belangrijk omdat je van tevoren moet nadenken over hoe het product over de komende jaren gaat evolueren. De innovatiechef legt uit: “Producten gaan steeds meer samenwerken met andere producten – zelfs van derden! – aangestuurd op een intelligente wijze, waarbij de resultaten toonbaar worden gemaakt voor een grote diversiteit van stakeholders. Producten worden nu totaaloplossingen. Dit is bij uitstek een grootse architectuuruitdaging.”

In zijn productbeschouwing onderscheidt Jeroen Tas drie stappen: 1. het product an sich; 2. een systeem van een aantal samenwerkende producten (dat betreft samenwerking in hardware, software en diensten); en 3. een ecosysteem waarin gekoppeld wordt met producten en diensten van derden.

Het garanderen van de juiste werking van een ecosysteem is ingewikkeld. Je moet begrijpen waar je de verschillende functionaliteiten neerlegt en waar de ‘value control points’ liggen. Of je ‘loose’ of ‘tight coupling’ wilt toepassen, hoe de interfaces werken, en hoe het staat met je uitbreidbaarheid.

“Het ontwerpen van zo’n ecosysteem is echt interessant. Hoe ga ik zorgen dat mijn producten en diensten passen op die van iemand anders? Hoe kan ik zorgen dat de processen die worden ondersteund ook end-to-end werken? En hoe kunnen we data gebruiken om onze producten en diensten te versterken?”

Serviceaggregatie

Belangrijk bij producten is het kennen van de medische profielen van de patiënten. Dan kan je namelijk medische en statistische onderzoeken ondersteunen, die leiden tot betere diagnose en meer persoonlijke behandelingen. Bijvoorbeeld correlaties tussen long- en hartproblemen.

Tas: “Veel patiënten hebben meerdere problemen. Daarvoor hebben wij een app die meerdere medische apparaten verbindt en een totaalbeeld geeft van de medische toestand van de patiënt. Hiermee worden bijvoorbeeld bloedsuikers, slaap-, hart- en bloedzuurstof in onderlinge samenhang bekeken. Ook het tijdperspectief kan worden betrokken. Zo kunnen we een persoonlijk behandelplan opstellen en de patiënt eventueel coachen naar een gezondere levensstijl. Vroeger hadden we allerlei losse applicaties met perspectieven op de patiënt en zijn voortgang, terwijl we nu een integraal beeld krijgen. Zo’n dynamisch totaalbeeld is een forse architectuuruitdaging.”

De chief innovation & strategy officer ziet mogelijkheden voor de business: “We zouden bijvoorbeeld de ‘sleep player’ kunnen worden – de orkestrator van slaap. Startend met onze connected slaap-apneu-apparatuur en -diensten. Wij moeten dan een aantal services van derden kunnen inpassen.” Hij gaat uit van een toekomstige wereld waarin alles wordt aangeboden als services. “Daarop kun je serviceaggregatie toepassen.”

Drie lagen

Architectureel onderscheidt hij drie lagen van services. De onderste laag, aangeduid als HealthSuite, is een infrastructuurniveau. “Daarin bevinden zich die services die nuttig zijn voor alles binnen Philips. Wij hebben het hier over aansturing van apparaten, het management van data, analyse van metingen, en orkestratie van services. Deze infrastructurele services zijn superrobuust, veilig en snel. Daarbij speelt altijd de afweging waar je de functionaliteit implementeert. Wat doe je op het apparaat zelf, wat doe je in de cloud en wat doe je in een eigen datacenter?

Het monitoren van intensivecarepatiënten doe je niet primair in de cloud, omdat dat te veel risico met zich meebrengt – los van zaken als bandbreedte en latency. De data gaat echter wel naar de cloud en kan in near-realtime worden geïnterpreteerd. In de HealthSuite-laag wordt alle functionaliteit aangeboden via een api en de implementatie berust voor een groot deel op open source.”

In de tweede laag zitten api-based services met meer specifieke eisen voor de verschillende toepassingsdomeinen, zoals services voor high-fidelity, super secure, low latency-uitwisseling van data met medische apparatuur in het ziekenhuis. Tas: “Een ander gebied is de interpretatie van beeldstudies en klinische workflow. De diensten die de thuissituatie van de patiënt ondersteunen, vormen ook een domein in deze laag.”

De derde laag bestaat uit de specifieke oplossingen en gebruiksinterfaces van de toepassingsgebieden als bijvoorbeeld cardiologie, oncologie en neurologie, alsook applicaties voor zwangere moeders en intramurale zorg. In de derde laag gebruiken we vaak microservices.

Alle devices – hieronder worden ook softwareprogramma’s verstaan – worden geclassificeerd naar medische betrouwbaarheidseisen. Een dergelijke classificatie geldt natuurlijk ook voor de bouwblokken. Het is aan de architect om te borgen dat de bouwblokken van de juiste classificatie op de juiste wijze samenwerken om te kunnen worden gebruikt voor een device van een bepaalde betrouwbaarheidseis.

“Het monitoren van intensivecare-patiënten doe je niet primair in de cloud, omdat dat te veel risico met zich meebrengt”

Samengevat: bij productarchitectuur staat integratie centraal. Integratie van sensoren, devices, data, workflows en zorgpaden, op een veilige manier. Maar naast de integratie is ook de algehele gebruikerservaring (UX) cruciaal. “Die bepaalt immers het gebruiksgemak en de hoeveelheid training die je moet verzorgen.”

Ecosysteem

“Een ecosysteem is veel meer dan een plat internet of things”, vervolgt Tas. “IoT gaat in zijn eenvoudigste vorm over hoe je dingen verbindt en data uitwisselt op een veilige manier. Een ecosysteem impliceert bij ons ook dat het kan communiceren met onze interne systemen en systemen van derden, dat het apparaat begrijpt wat zijn rol is in het geheel en zich aan het gebruik aanpast. Wij willen het product kunnen identificeren, kunnen ondersteunen en kunnen managen.

Maar we moeten ook rekeningen kunnen sturen voor het gebruik van die services. We moeten in staat zijn op afstand nieuwe functionaliteit in te brengen. We moeten kunnen communiceren met degene die die apparatuur gebruikt, wellicht zelfs coachen bij het gebruik.”

Goed voorbeeld is de Philips ‘sleep & respiratory’-omgeving, die mensen gebruiken voor slaap en ademhaling. Vroeger waren dat allemaal losse apparaten, nu zijn ze intelligent verbonden. Artsen kunnen tegenwoordig zien of patiënten de hulpmiddelen daadwerkelijk gebruiken en hoe ze deze gebruiken. “Patiënten krijgen dan aanwijzingen om te zorgen dat hun conditie onder controle blijft of zelfs verbetert.

Dit is dus beslist geen eenvoudig IoT, het is in feite een soort dynamische leer-en-werkomgeving om beter te kunnen slapen. Je wil dus zowel in contact blijven met je eigen apparaten als met degenen die ze gebruiken. Je kunt dus het gebruik verbeteren en indien nodig de klanten ook in contact brengen met de professionele zorg. Daardoor moet je ook gaan communiceren met de systemen van de zorgverlener en de zorgverzekeraar om te borgen dat de medische handelingen vergoed worden. Het ecosysteem van je product wordt zo steeds rijker”, aldus Jeroen Tas.

Data centraal

Bij het ontwerpen van een ecosysteem staat data centraal. Daarnaast zijn er een aantal diagnostische en behandelingsworkflows binnen het zorgpad. “Het gaat om het integreren van data, het zichtbaar maken van het zorgpad en het aansluiten en uitwisselen van informatie met de apparatuur. Een complex ecosysteem moet worden opgebouwd in blokken die makkelijk zijn te integreren en elk op zich kunnen evolueren.

IT-systemen zijn geen machines meer maar worden organismen. Belangrijk is niet alleen de technische integratie maar ook de integratie van de gebruikservaring: een overall ‘talk, touch, look and feel’ voor een interessante en inspirerende bediening van het geheel. Dat is belangrijk voor de communicatie tussen dokter en patiënt, maar ook voor de vakinhoudelijke communicatie, bijvoorbeeld tussen de longarts en de cardioloog.”

Communicatie

“Je begint je architectuur met een eenvoudig verhaal over de essentie van het probleemgebied”, aldus Jeroen Tas. “Bij het slaapprobleem zijn wij begonnen met een beschrijving van het ecosysteem: wie participeren daarin, wie zijn de stakeholders – patiënten, coaches, verzorgers, huisartsen, specialisten, verzekeraars, leveranciers, en wat hebben die nodig? Dan wordt het duidelijk hoe die allen samen kunnen werken en hoe de connecties eruit moeten zien.”

De chief innovation & strategy officer is een pleitbezorger van het Scaled Agile Framework van Dean Leffingwell. Daarin worden twee stromen onderscheiden: een architectuurstroom, oftewel de Architectural Epics, en een stroom waarin de benodigde functionaliteiten worden verkend: de Functional Epics. In die Epics wordt gevisualiseerd hoe de toekomstige wereld eruit gaat zien. Epics moeten door iedereen kunnen worden begrepen, dus in een taal worden geschreven op het niveau van de eindgebruikers. Maar Tas laat ook filmpjes, animaties en prototypes gebruiken.

Hij werkt aan een communicatietaal waarin de eindgebruikers worden uitgedaagd daadwerkelijk te participeren bij het opstellen van de Epics. “Wij hebben aan de Epics ook een businessdimensie gekoppeld, oftewel welke businesswaarde gaan wij bewerkstellingen met deze Epic. Wij willen dat iedereen up-front nadenkt over de waarde die zij gaan creëren.

De Epics beslaan dus vier aspecten: architectuur, functionaliteit, businesswaarde en gebruikservaring. Eigenlijk zit de ervaring in de functionaliteit en is feitelijk een onderdeel van de architectuur, maar wij vinden gebruikservaring zo belangrijk dat wij daar extra aandacht aan schenken. Deze expliciete vierdeling helpt ook om mensen keuzes te laten maken.”


Geleerde architectuurlessen

1. Je kunt architectuur niet los zien van de business: businessmodellen, businessframeworks en value-chains.
2. Zorg eerst dat IT daadwerkelijk op de agenda van de bestuurstafel komt en bepaal de potentiële waarde, bespreek daarna pas de mogelijke architectuurvraagstukken.
3. Architectuur hoort voor iedereen begrijpelijk te zijn, de afwegingen en consequenties duidelijk. Die eis horen de hoogste managers af te dwingen.
4. Bewaak je competitive position (value control points) in het ecosysteem. Borg de architecturale aansluiting.
5. Je kunt alleen adaptief in de markt zijn als je een goede architectuur in de volle breedte hebt, waarin producten en value-chains zich snel kunnen aanpassen aan veranderende eisen van de markt.
6. Architectuur is hét strategische instrument om grote bedrijfstransformaties te kunnen overzien en beheersen. Je strategie moet gebaseerd zijn op wat je kunt, en dat blijkt uit je architectuur.
7. De architecten en de architectuurbeslissingen moeten bijdragen aan een hogere businesswaarde.
8. Werk in eerste instantie de architectuur niet tot het diepste niveau uit, dat komt pas tijdens design en wordt gespiegeld aan de best practices in de gebruikte software.
9. In veel organisaties besteden de CIO en de toparchitecten 80 procent van hun tijd aan zaken in de marge. Concentreer je op die gebieden die echt impact hebben.
10. Architectuur is voor een groot deel abstraheren, maar je moet het juiste abstraheren. Je moet precies bepalen waar de interfaces liggen, daarbij is de api heilig. Het gaat om de kwaliteit, de robuustheid en het juiste abstractieniveau van de api. Wat daaronder gebeurt, is niet echt spannend.

Expliciete tips voor CIO’s

  1. Architectuur heeft alleen zin als je een visie hebt over waar je naartoe gaat. Architectuur bestaat immers langer dan de producten die je op de markt neerzet.
  2. Architectuur is een absolute noodzaak. Deze noodzaak wordt groter naarmate je meer dingen met elkaar gaat verbinden. Het is een must bij ecosystemen.
  3. Zorg voor een modulaire architectuur, zodat je de afhankelijkheden binnen een product goed onder controle hebt. De interfaces zijn cruciaal.
  4. Zelfs bij niet-verbonden producten is het nodig om over architectuur na te denken. Als je vroeger de klep van een auto opendeed, zag je de slangetjes en draadjes lopen. Je kon de onderdelen zien en alles leek met alles verbonden. Kortom, een beeld van de complexiteit onder de motorkap. Nu doe je de klep open en is het supermodulair. De modules zijn helemaal ingepakt en hebben een simpele interface. Ze kunnen alleen nog maar worden gediagnosticeerd door ze aan te sluiten op een computer.
  5. Wie niet nadenkt over architectuur en platformen krijgt producten die niet eenvoudig en snel kunnen evolueren.
  6. Architectuur gaat over mogelijkheden, maar evenzeer over beperkingen. Het probleem met software is dat de meeste softwareontwikkelaars te veel vrijheidsgraden hebben. Dus iedereen wordt een artiest. Dat wil je niet, daar creëer je geen kwaliteit en snelheid mee. Je moet de vrijheidsgraden op een zodanige manier indammen dat je de kwaliteit kunt waarborgen, model-based development helpt hierbij.
  7. Architectuur is ook een wereld creëren waarin je duidelijk bent over de keuzes die je maakt. Dat is niet makkelijk, want iedereen wil altijd alles. Je mag enorm creatief zijn, maar binnen de kaders (de vangrails) gesteld door de architectuur.

Met medewerking van Hotze Zijlstra, voormalig hoofdredacteur CIO Magazine en journalist met een focus op architectuur