Digitalisering heeft onze wereld de laatste decennia veranderd en gaat onze samenleving de komende decennia nog veel grondiger veranderen. Dan gaat het over mensen, netwerken, het internet, het ‘internet of everything’, big data en small data, over kunstmatige intelligentie en virtuele realiteit en over hoe al die zaken samen de oude structuren en organisatieprincipes uit het industriële tijdperk onderuit hebben gehaald. Om er vervolgens nieuwe voor in de plaats te zetten die gebaseerd zijn op netwerkprincipes en die als doel hebben om een betere wereld voor de mens te creëren.

Digitalisering zou niet hebben bestaan zonder technologie, om precies te zijn: netwerktechnologie. Maar digitalisering gaat over veel meer dan technologie alleen. Digitalisering is een paradigmawisseling gebleken – een wisseling die allang heeft plaatsgevonden maar waarvan de impact zich nog maar net laat voelen.

Een paradigmawisseling betekent dat een manier van denken, van doen of hoe een maatschappij functioneert, fundamenteel verandert. Dat is gebeurd met digitalisering: de wereld is in betrekkelijk korte tijd tot in de kern veranderd.

Voelbare pijn

Veel mensen voelen ook de pijn die dit met zich meebrengt. Banenverlies door automatisering bij banken en door robotisering van productielijnen, postbodes die haast geen brieven meer bestellen, de dorpsfotograaf die z’n deuren sluit – de lijst is lang.

Maar die verandering van denken heeft al plaatsgevonden. We zijn een kritisch punt gepasseerd; onze wereld is voor altijd veranderd en velen van ons proberen zich voor te stellen wat er voor ons ligt. Veel komende ontwikkelingen kunnen onze wereld nóg eens fundamenteel veranderen en ons wereldbeeld en manier van werken uitdagen op een manier zoals alleen een paradigmawisseling dat kan.

De volgende golf technologische innovaties, zoals kunstmatige intelligentie, virtuele realiteit en analyse van big data is al onder ons en zal alleen maar in belang toenemen. Toch zijn ze het product van een grotere beweging die al decennia geleden is begonnen: digitalisering.

Om onze gedigitaliseerde toekomst beter te begrijpen en de veranderingen die het op een exponentiële schaal produceert, is het cruciaal om stil te staan bij enkele fundamentele kenmerken van digitalisering en naar haar ontstaan en principes te kijken. In dit stuk ligt de focus op twee fundamentele bouwblokken van digitalisering: het netwerkparadigma en de opkomst van the internet of everything.

Netwerkfundament

Een netwerk kan gedefinieerd worden als een ontwerp waar alle ‘actoren’ of nodes (knooppunten) binnen een gegeven structuur onderling verbonden zijn, georganiseerd als een rooster (grid), in een netwerk zonder randen of centrum, met vele wegen om ‘informatie’ van het ene punt naar het andere te krijgen.

Diverse mensen hebben aan de wieg gestaan van digitalisering. Maar als het om het netwerk gaat, dan verdient professor Paul Baran waarschijnlijk de meeste lof. Deze Pools-Amerikaanse ingenieur was een pionier op het gebied van de ontwikkeling van computernetwerken en een van de twee onafhankelijke uitvinders van pakketgeschakelde computernetwerken. Die vormen het fundament van gedistribueerde informatienetwerken.

In het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw werd hij gevraagd door de Amerikaanse onderzoeksinstelling RAND om een militair informatie- en communicatiesysteem te ontwikkelen dat een nucleaire aanval kon weerstaan. Baran ontwierp daartoe een netwerk in de vorm van een grid met vele communicatiepaden. Zijn gedistribueerde netwerkmodel was ontworpen om verkeer om uitgevallen nodes heen te leiden en de verbinding te garanderen door gebruik te maken van vele paden en punten in het netwerk.

Complete breuk

Fundamenteel hiervoor was dat Baran de informatie opdeelde in ‘blocks’ alvorens ze over het netwerk te sturen. Hierdoor kon informatie sneller verzonden worden en communicatielijnen efficiënter gebruikt worden. Elk blokje werd apart verstuurd via verschillende wegen en op de plek van aankomst werden ze weer ‘in elkaar gezet’.

Bijzonder was dat hij als eerste telecomtechnologie met computertechnologie verbond. Tegelijkertijd ondermijnde deze gedistribueerde netwerkstructuur de principes van centrale of gecentraliseerde organisaties, waarvan de klassieke telefooncentrale een groot voorbeeld was. Decennia later ontstond het internet, geheel volgens dit principe opgebouwd. In praktisch opzicht bleek dit genetwerkte organisatiedesign een complete breuk te zijn met het traditionele industriële tijdperk en de manier om dingen centraal te organiseren.

Het industriële tijdperk bracht ons gecentraliseerde productie, gecentraliseerde massaproductie (denk aan Ford), telecommunicatienetwerken met een gecentraliseerde architectuur, telefooncentrales en meer. Dit organisatieprincipe werd op meer en meer terreinen toegepast: onderwijs, moderne democratie en centrale regeringen.

Maar het liet ook ruimte voor de negatieve kanten van deze manier van organiseren: communistische, fascistische en Stasi-praktijken, waar centrale overheden hun burgers bespioneerden op industriële schaal, met als doel een maatschappij overeind te houden die gebaseerd was op de principes van absolute centrale controle. De verandering van denken die voortkwam uit nieuwe netwerktechnologieën zou de oude industriële wereld voor altijd veranderen.

Open werkvloer

Het netwerkparadigma is een organisatiemodel en in het verlengde daarvan een cultuur om dingen te doen op een gedistribueerde manier, zonder centrum of periferie, met mensen die functioneel losjes onderling verbonden zijn.

Wikipedia is een goed voorbeeld van deze manier van werken. Iedereen kan een bijdrage leveren, iedereen heeft gelijke toegang, er is nauwelijks centraal gezag en er wordt inhoudelijk volop samengewerkt op een niet-lineaire manier. Hoewel veel instituties vandaag de dag nog gebaseerd zijn op principes van centrale organisatie, doen steeds meer werknemers hun werk waar het hun uitkomt op tijden die ze zelf kiezen.

We leven in een cultuur die lijkt op een grote verkeersrotonde, in plaats van een cultuur waarin het verkeer geregeld wordt met stoplichten. Stoplichten zijn een mooi voorbeeld van centrale controle: de autoriteiten, de staat dus, beslissen of je al dan niet mag doorrijden. Ook al is het vier uur ’s nachts en geen auto te bekennen, je wordt geacht te stoppen voor een rood licht. Er wordt niet verwacht dat je de verkeerssituatie zelf beoordeelt. Centrale autoriteit heerst.

Het verkeersplein daarentegen is de tool voor verkeersmanagement die bij de tijd van het netwerkparadigma hoort. Alle nodes in het netwerk worden geacht over de basisintelligentie te beschikken om te beslissen of ze voor anderen moeten stoppen of niet. Centrale controle is in essentie niet meer aanwezig in dit concept.

Netwerkeffect

Als de eerste bouwsteen van digitalisering over organisatorische principes, ontwerpen en waarden ging – kwalitatief van aard – is de tweede bouwsteen kwantitatief van aard. De kwaliteit en de impact van elk netwerk wordt direct beïnvloed door het aantal nodes waaruit dat netwerk is opgebouwd. Dit staat bekend als het ‘netwerkeffect’: hoe meer mensen een netwerk gebruiken, des te waardevoller het wordt.

Een goed voorbeeld is weer het internet. In het begin was het alleen bekend bij een kleine groep militairen en wetenschappers, maar na een stormachtige groei kunnen we constateren dat het internet van onschatbare waarde voor de maatschappij is.

Met het internet of everything betreden we weer een nieuwe fase. Het aantal nodes (mensen én dingen) dat op dit netwerk wordt aangesloten groeit exponentieel en daarmee ook de onderliggende infrastructuur en bandbreedte en processorkracht die deze groei moeten ondersteunen. De groei van ‘connectedness’ en computerkracht zijn weer een direct fundament van verdere digitalisering – maar ook indirect, omdat het een nieuwe golf innovaties met netwerktechnologie mogelijk maakt, zoals een nog intelligentere kunstmatige intelligentie, nog reëlere virtuele realiteit, nog diepere deep learning en nog meer big data.

Over deze golf werd al lang gesproken, maar hij lijkt nu echt te gaan komen vanwege de recente introductie van een automatisch werkend netwerk dat zelf context kan begrijpen en op basis daarvan kan handelen zonder dat er menselijke ondersteuning nodig is. Gekoppeld aan strenge cybersecurity in de haarvaten van zo’n netwerk kan de innovatiekracht op dit vlak de komende periode echt losbarsten. Deze ontwikkelingen bij elkaar hebben alles in zich om zelf weer ‘game changers’ te worden.

Waardevoller

Aangedreven door de Wet van Moore (ruwweg: processorkracht verdubbelt elke 18 tot 24 maanden) en door de consistente prijsverlaging van die processorkracht (voor dezelfde euro heb je elke vier jaar tien keer zoveel rekenkracht) is het internet exponentieel gegroeid; en dat blijft het doen.

Tegenwoordig heeft ongeveer 40 procent van de wereldbevolking een internetverbinding. De mijlpaal van 1 miljard gebruikers werd in 2005 bereikt. Het tweede miljard in 2010, het derde miljard in 2014. Hoe meer mensen een netwerk gebruiken, des te waardevoller het wordt.

De evolutie van architecturen die nodig is om deze enorme groei mogelijk te maken, is radicaal, alomvattend en het gebeurt nu. The internet of everything zal het digitale universum ver doen uitdijen met allerlei soorten data: big, small, realtime, dynamisch, lokaal en meer. En we zullen van deze data op ongeëvenaarde manieren gebruik kunnen maken.

Deep learning en kunstmatige intelligentie ontwikkelen zich met duizelingwekkende snelheden. Hun impact zal naar verwachting grote delen van de samenleving en de economie ernstig verstoren en de manier waarop we leven, werken en handel drijven opnieuw definiëren, onze ethische kaders vernieuwen en zelfs, wie weet, met behulp van augmented reality, rammelen aan onze perceptie van wat echt is en wat niet.