Nederland is gestegen naar de vierde positie op de Global Competitiveness Index en is daarmee de meest concurrerende economie in Europa geworden. Qua innovatievermogen op lange termijn is Nederland echter terrein aan het verliezen, met een plaats op de tiende positie. Hierop duidt het laatste Global Competitiveness Report van het World Economic Forum.

Het rapport – How to end a lost decade of productivity growth genoemd – is een jaarlijkse graadmeter van internationaal concurrentievermogen onder 141 landen, is samengesteld op basis van uiteenlopende data over zaken als ondernemingsklimaat, de kwalificatie van de beroepsbevolking, monetair beleid, duurzaamheid van economische groei en vermogen tot innovatie. Het Amsterdam Centre for Business Innovation van de UvA is partnerinstituut van het World Economic Forum (WEF) en verzamelde de Nederlandse data. De voornaamste bevindingen zijn:

1. Nederland aan kop in Europa

Nederland stond vorig jaar nog op de zesde plaats en is met twee plaatsen gestegen naar de vierde positie. Nederland geeft in de rangschikking Zwitserland (5e positie) en Duitsland (7e) het nazien, waardoor het in Europa nu de meest concurrerende economie is. Wereldwijd zijn alleen Singapore (1e), de VS (2e), en Hong Kong SAR (3e) concurrerender.

“Nederland heeft een zeer open dynamische economie – op de tweede positie – die volop profiteert van economische groei”, zegt hoogleraar Henk Volberda van de UvA, die het onderzoek leidde. “Ons land heeft een zeer hoogwaardige fysieke en digitale infrastructuur van wereldklasse (vierde positie in de ranking), een stabiel macro-economisch beleid (1e positie), een efficiënte overheid met goed functionerende instituties (4e), en een zeer goed opgeleide beroepsbevolking (4e). In vergelijking met andere Europese landen heeft Nederland een uitstekende voedingsbodem om in de toekomst succesvol te concurreren.”

2. Nederlandse economie veel wendbaarder

Nederland heeft uitstekende instituties, in het bijzonder als het gaat om ‘checks and balances’ (juridische onafhankelijkheid, persvrijheid, openheid van de overheid), bescherming van intellectuele eigendom, ethiek en transparantie. Maar de Nederlandse economie is bovenal ook zeer dynamisch. Een ondernemende cultuur, platte organisaties en groei van innovatieve bedrijven dragen er aan bij dat Nederland na de VS de meest dynamische economie heeft.

Het is betrekkelijk eenvoudig bedrijven op te zetten of te ontmantelen. Volberda: “Er zijn in Nederland steeds meer innovatieve bedrijven die groei realiseren (4e positie) en die disruptieve technologieën en nieuwe business modellen omarmen (8e). De Nederlandse bedrijven zijn ook veel minder hiërarchisch geworden (3e) en kunnen zich gemakkelijker aanpassen aan de economische dynamiek.”

3. Innovatievermogen op lange termijn is achilleshiel

Ondanks de uitstekende voedingsbodem en de toegenomen wendbaarheid van de Nederlandse economie blijft het vermogen tot innovatievermogen op de lange termijn kwetsbaar. OP het gebied van investeringen in r&d en ICT is Nederland verder gedaald naar de tiende plaats. Er ontstaat een groeiende afstand met de koplopers Duitsland (1e), de VS (2e) en Zwitserland (3e). “De noodzakelijke private en publieke lange termijn r&d-investeringen (2% van het GDP, 17e positie) voor toekomstige groei in Nederland [blijven] structureel achter”, zegt Volberda. “Ook laat Nederland steken vallen op het gebied van toepassing van ICT (24e positie).”

Een wendbare economie is goed voor de economische groei op de korte termijn, maar onvoldoende voor de lange termijn. Juist nu is het moment gekomen om te investeren in het toekomstige verdienvermogen van de Nederlands economie, stelt Volberda. “Het Nederlandse topsectorenbeleid [heeft] een grondige opfrisbeurt nodig. De nieuwe technologische uitdagingen van de vierde industriële revolutie (kunstmatige intelligentie, big data, robotisering, block chain, 3D printing) vereisen een meer nationaal innovatiebeleid om proactief de noodzakelijke publieke en private investeringen in deze disruptieve technologieën mogelijk te maken.”

Volberda moedigt het kabinet aan om werk te maken van de plannen van een structureel groeifonds voor innovatie. “Dit kabinet zou meer moeten investeren in deze nieuwe technologieën en daarmee samenhangende nieuwe bedrijvigheid die de klassieke topsectoren overstijgen”.

4. Skills gap remt economische groei

Nederland heeft een goed opgeleide beroepsbevolking en qua onderwijs en vaardigheden op de vierde plaats. Nederland investeert in menselijk startkapitaal als het gaat om vaardigheden van afgestudeerden (3e positie), digitale vaardigheden (4e), aanvullende trainingen (5e) en kritisch denken in het onderwijs (3e). Er tekent zich echter een groter wordende mismatch af tussen het arbeidsaanbod en de vraag in Nederland.

“Bedrijven komen steeds moeilijker aan goed opgeleid personeel (26e positie) en het bestaande personeel is vaak onvoldoende bijgeschoold of herschoold. In 2022 verwacht het WEF dat de helft van de beroepsbevolking fundamenteel nieuwe vaardigheden en kennis nodig heeft.

Bovendien is het aantal jaren scholing dat een gemiddelde medewerker in Nederland heeft gehad te laag (ook 26e). Om toekomstige groei te bestendigen zou er meer moeten worden geïnvesteerd in opleiding en levenslang leren. Nederland zou hier een voorbeeld kunnen nemen aan Finland en Zwitserland”, aldus Volberda.

5. Singapore nieuwe koploper

Singapore heeft de koppositie ingenomen in de Global Competiveness Index 2019. De top-3 van meest concurrerende economieën bestaat verder uit de VS (2e) en Hong Kong (3e), de grootste stijger in de top-10, die van positie 7 naar 3 gaat en wisselt met de grootste daler Duitsland (van 3e naar 7e positie). De hoge mate van openheid wordt gezien als een belangrijke succesfactor van Singapore. Wat betreft infrastructuur neemt de stadstaat ook de koppositie in.

De VS heeft zonder meer de meest dynamische economie dankzij de sterke ondernemende cultuur gericht op innovatie en de zeer flexibele arbeidsmarkt. Ook heeft het een van de grootste thuismarkten. Er zijn echter ook indicatoren die zorgen baren, zoals de afnemende sociale binding en de verslechterde sociale zekerheid. Op het gebied van de gezondheidszorg blijft het land achter ten opzichte van andere geavanceerde economieën.

Daarnaast scoort de VS relatief laag op ‘checks en balances’, onafhankelijkheid van het juridisch systeem en transparantie.

Hong Kong complementeert de top-3 van meest concurrerende economieën. Het concurrentievermogen van Hong Kong vertoont op meerdere dimensies van de ranglijst een zekere mate van overlap met Singapore. Op het gebied van innovatie en de efficiëntie van de arbeidsmarkt is Singapore echter net wat verder. De grootste uitdaging voor Hong Kong is het ontwikkelen van innovatievermogen.

Zwitserland sluit de top-5 van meest concurrerende economieën. In het land zijn vele multinationals gevestigd, vaak leidend in hun sector. Tevens is er een hecht netwerk van MKB-bedrijven met een goede reputatie op het gebied van kwaliteit en innovatie. Het bedrijfsleven werkt intensief samen met universiteiten, wat leidt tot innovatieve producten met commerciële toepassingen. De universiteiten zelf zijn ook toonaangevend.

Dat Zwitserland niet hoger staat genoteerd, komt door de geslotenheid van de economie, wat voor een deel is toe te schrijven aan de complexiteit van in- en uitvoerrechten. Ook op het gebied van de adoptie van ICT heeft Zwitserland nog een inhaalslag te maken, aldus het rapport.

Japan staat op de zesde plaats van meest concurrerende economieën. Het heeft de hoogste score op gezondheidszorg en excelleert in de digitale en fysieke infrastructuur. Het land kan nog een inhaalslag maken op de meer ‘zachte’ aspecten die het innovatie-ecosysteem versterken. Zo scoort het land relatief laag op verschillende aspecten van een innovatieve cultuur, waaronder ondernemerschap, en het nemen van risico’s, creativiteit en kritisch denken.

Duitsland, dat met vier plaatsen is gezakt naar de zevende positie, is nog steeds kwetsbaar qua arbeidsmarkt (14e positie) en achterblijvende ICT-adoptie (36e). Maar het land onderscheidt zich van de andere landen door een uniek en geavanceerd innovatie-ecosysteem.

Duitsland neemt wereldwijd de koppositie in voor wat betreft innovatievaardigheden. Dit is het resultaat van het hoge aantal patenten, onderzoekspublicaties, de hoge kwaliteit van onderzoeksinstituten en veeleisende klanten die bedrijven frequent uitdagen om te innoveren. Verder is er een levendige zakelijke sector om innovaties naar de markt te brengen.

Zweden, op de achtste plaats, lijkt in vergelijking met andere Europese landen die vrij hoog scoren het beste voorbereid voor technologische verandering. Het land scoort hoog op ICT-adoptie en de bevolking behoort ook bij de kopgroep wat betreft digitale vaardigheden. Ook continue investeringen in menselijk kapitaal, zoals opleiding en vaardigheden, helpen de Zweedse economie om het innovatievermogen maximaal te benutten.

Het VK is een positie gedaald en neemt de negende plaats in. Het VK scoort van oudsher goed op punten als een sterk innovatie-ecosysteem en een zeer dynamische economie. Ook is er een levendige zakelijke sector. Verder kent het land vergelijkbare scores voor zowel productmarkten, de arbeidsmarkt en financiële markten. De laatstgenoemde scores gaan naar verwachting wel sterk dalen door Brexit.

Denemarken is hekkensluiter van de top-10. Het land is in staat om een effectieve markteconomie te verenigen met een sterke mate van bescherming voor medewerkers en een welvaartsstaat met een actief arbeidsmarktbeleid. Ook op dimensies als sociaal kapitaal en hoogopgeleide beroepsbevolking scoort Denemarken behoorlijk hoog. Ten slotte zijn het aantal patenten en handelsmerken vrij hoog voor een klein land als Denemarken.

6. Ruimhartig monetair beleid leidt tot stagnatie

Door het ruimhartige monetair beleid van de centrale banken in de geavanceerde economieën is er meer dan 10 biljoen dollar geïnvesteerd in de laatste tien jaar en is een tweede grote depressie voorkomen. De productiviteitsgroei stagneert echter en de grenzen van het monetair beleid zijn bereikt.

Om productiviteitsgroei en welvaart te bereiken, spoort het WEF landen aan om veel meer te investeren in menselijk en fysiek kapitaal door structurele hervormingen en fiscaal beleid. De organisatie waarschuwt hierbij dat de voordelen van technologie en kapitaalsinvesteringen alleen maar zullen renderen als landen tegelijkertijd ook investeren in talentontwikkeling en een goed functionerende arbeidsmarkt.

7. ‘Social Development Goals’ nog ver weg

Duurzame economische groei is volgens het WEF de motor voor armoedebestrijding, versneller van menselijke ontwikkeling en duurzaamheid. Het afgelopen decennium is deze groei duidelijk afgenomen en is het potentieel van ontwikkelde landen onvoldoende benut om vooruitgang te boeken op verschillende Social Development Goals. Het WEF stelt dat landen met hetzelfde concurrentieniveau toch aanmerkelijk kunnen verschillen in effecten op duurzaam milieu en sociale gelijkheid.

Concurrentievermogen kan gezien worden als het IQ van een economie en het kan op verschillende manieren worden aangewend. Sociale mobiliteit kan bijvoorbeeld aanzienlijk verschillen tussen landen met eenzelfde concurrentievermogen. In Denemarken bereikt een burger gemiddeld binnen twee generaties een gemiddeld inkomensniveau, terwijl dat in het VK vijf generaties in beslag neemt.

Ook kunnen landen met een gelijk concurrentievermogen kiezen voor een groot aandeel in hernieuwbare energie (Denemarken) of juist een zeer laag aandeel (Nederland, de VS en Japan). Het WEF roept landen op om hun concurrentievermogen aan te wenden voor sociale gelijkheid en duurzaamheid in lijn met de Social Development Goals van de Verenigde Naties. De Scandinavische landen lopen hierin duidelijk voorop.

REAGEREN

Plaats je reactie
Je naam